Praktische lessen voor managers
Wat kunnen managers hier nu al mee? De drie experts formuleren enkele lessen:
1. Begin bij concreet gedrag. Alex Straathof: “Vraag: wat wil je precies dat mensen doen of laten? Maak het observeerbaar. Alleen zo kun je meten en sturen.”
2. Onderzoek oorzaken. David Polinder: “Kunnen mensen het gewenste gedrag wel vertonen? Zijn er bekrachtigende factoren die ongewenst gedrag in stand houden?”
3. Gebruik shaping. Kleine stapjes in gedragsverandering bekrachtigen werkt beter dan één grote sprong. David Polinder: “Vier successen en deel ze. Zo bouw je momentum.”
4. Maak het absorbeerbaar. Dolf van der Beek: “Verander niet meer dan een organisatie aankan. Sluit aan bij bestaande structuren. Anders gaat energie verloren.”
5. Vergeet overtuigingen en groepsdruk niet. Alex Straathof: “Gedrag is meer dan rationele keuzes. De mindset en groepsarena geven vaak de doorslag.”
Toepasbaarheid buiten veiligheid
Hoewel de aanpak in eerste instantie is uitgedacht voor het ontwikkelen van een veiligheidscultuur, is hij breder toepasbaar. Alex Straathof: “De vier wetenschapsgebieden zijn relevant voor integriteit, diversiteit, samenwerking, noem maar op. Overal geldt: beleid moet op orde zijn, je moet weten welke overtuigingen leven, groepsdruk speelt altijd mee, en gedrag vraagt om bekrachtiging.”
Hij geeft een voorbeeld over integriteit. “Daar begint het ook met beleid: een klachtenregeling, een vertrouwenspersoon, duidelijkheid over wat wel en niet integer is. Daarna kijk je: welke overtuigingen rechtvaardigen afwijkend gedrag? Welke groepsdruk speelt mee? En hoe bekrachtig je gewenst gedrag? Het veranderprincipe is hetzelfde.”
Wat nog onderzocht moet worden
Een open vraag blijft hoe de verschillende interventies precies op elkaar inwerken. “We weten dat ze elkaar versterken,” zegt Dolf van der Beek, “maar de mechanismen zijn nog niet volledig duidelijk. Dat willen we de komende jaren onderzoeken met praktijkdata. We zullen de verzamelde data bij bedrijven, waarmee we samenwerken, gebruiken om een grote database te vormen, waaruit we de werking van interventies kunnen afleiden. We denken daarmee te kunnen bewijzen dat effectiviteit schuilt in de combinatie-effecten van gedrag beïnvloedende interventies.”
David Polinder vult aan: “OBM heeft laten zien dat context en de omgeving veel uitmaakt. Bekrachtiging werkt, maar de vorm en timing zijn cruciaal. Wat voor de een werkt, werkt niet per se voor de ander. Dat geldt ook voor de integrale aanpak: we moeten nog ontdekken welke combinaties in welke contexten het meest effectief zijn.”
Conclusie: wetenschap als bondgenoot
De drie experts zijn het eens: managers hoeven niet te vertrouwen op vage cultuurprogramma’s of losse hypes. De wetenschap biedt stevige, bewezen interventies voor cultuurverandering. Hun gezamenlijke aanpak maakt duidelijk dat deze interventies pas echt krachtig worden wanneer ze integraal worden toegepast. De afzonderlijke disciplines – beleid, gedragsanalyse, overtuigingen en groepsdynamiek – hebben elk hun waarde, maar in samenhang leveren ze een veel groter en aantoonbaar effect op.
Er ligt nu al een stevig fundament waarmee managers direct aan de slag kunnen. De puzzel is nog niet af, maar één ding is zeker: wie wetenschap en praktijk slim combineert, heeft een grotere kans om de cultuur echt te veranderen.